Rechtbank kent een schadevergoeding toe wegens  overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar tegen de WOZ-beschikking


Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/3296

Uitspraakdatum: 8 november 2011

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Reimerswaal,
de heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraken op bezwaar
De in één geschrift vervatte uitspraken van de heffingsambtenaar van 16 mei 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking waarbij de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [de woning] (hierna: de woning), is gewaardeerd krachtens de Wet waardering onroerende zaken en de met die beschikking in één geschrift bekendgemaakte aanslag onroerende-zaakbelastingen 2009.

Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2011 te Middelburg. Aldaar zijn tegelijkertijd behandeld de zaken met procedurenummers 11/3296 en 11/3297. Ter zitting zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan [administratiekantoor] te [woonplaats], alsmede namens de heffingsambtenaar, [gemachtigde].

1.Beslissing

De rechtbank:
-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt de uitspraken op bezwaar;
-vermindert de vastgestelde waarde tot € 150.000 en vermindert de aanslag onroerende-zaakbelastingen dienovereenkomstig;
-veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 914,08;
-veroordeelt de heffingsambtenaar om een vergoeding van € 500 aan belanghebbende te betalen;
-gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze vergoedt.

2.Gronden
2.1.1.Belanghebbende is gebruiker en genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning. Het is een vrijstaande woning met aangebouwde schuur, tuin en ondergrond te [woonplaats]. De woning met bouwjaar 1936 heeft een inhoud van ongeveer 365 m³. De oppervlakte van het perceel is ongeveer 596 m². Belanghebbende heeft de woning op [datum] 2006 samen met zijn broer gekocht voor € 192.000. Ten tijde van de aankoop van de woning wist belanghebbende dat sprake was van bodemverontreiniging als gevolg van twee voormalige ondergrondse benzinetanks met afleverzuilen.

2.1.2.Bij beschikking is de waarde van de woning vastgesteld op € 182.000 per waardepeildatum 1 januari 2008 (hierna: de waardepeildatum). De beschikking geldt voor het tijdvak 1 januari 2009 tot 1 januari 2010. Daarbij is ook de aanslag onroerende-zaakbelastingen bekendgemaakt.

2.1.3.Belanghebbende heeft bij brief van 4 april 2009, bij de heffingsambtenaar ingekomen op 7 april 2009, bezwaar aangetekend tegen de vastgestelde waarde. Bij brief van 26 oktober 2009 heeft belanghebbende zijn bezwaar nader gemotiveerd.

2.1.4.Op 18 december 2009 heeft de heffingsambtenaar op het bezwaar beslist. In de uitspraken op bezwaar heeft verweerder de waarde en de aanslag onroerende-zaakbelastingen gehandhaafd.

2.1.5.Bij brief van 25 januari 2010 heeft belanghebbende pro-forma beroep aangetekend. Belanghebbende heeft dit beroep op 9 februari 2010 nader gemotiveerd. Het beroep staat bij de rechtbank geregistreerd onder het procedurenummer 10/61.

2.1.6.De rechtbank heeft in haar uitspraak van 27 januari 2011 beslist dat de zaak teruggewezen moest worden naar de heffingsambtenaar. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat zij het noodzakelijk acht dat de woning, gelet op de grieven van belanghebbende in bezwaar en beroep met betrekking tot de staat van onderhoud, inpandig dient te worden opgenomen.

2.1.7.Op 8 april 2011 is de woning door de heffingsambtenaar inpandig opgenomen.

2.1.8.Bij uitspraken op bezwaar van 16 mei 2011 zijn de waarde en de aanslag onroerende-zaakbelastingen gehandhaafd.

2.1.9.Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken op 20 juni 2011 pro-forma beroep aangetekend. Dit beroep is nader gemotiveerd op 19 juli 2011.

2.2.In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van € 93.415. Daarnaast heeft belanghebbende verzocht om toekenning van een materiële en immateriële schadevergoeding wegens spanning en frustratie gelet op de duur van de procedure.

Waarde van de woning

2.3.De waarde voor de Wet WOZ is de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de door die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

2.4.De bewijslast inzake de juistheid van de aan de woning toegekende waarde ligt bij de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar heeft de waarde vastgesteld op basis van de aankoopprijs door belanghebbende en de verkoopcijfers van de twee objecten [object A] en [object B].

2.5.De rechtbank acht de ter vergelijking opgevoerde objecten redelijk vergelijkbaar, maar acht het aannemelijk dat beide objecten een betere staat van onderhoud hebben. Uit het taxatierapport blijkt onvoldoende in hoeverre hiermee rekening is gehouden.

2.6.In een geval waarin een belastingplichtige een woning rond de peildatum heeft gekocht, moet in de regel ervan worden uitgegaan dat de waarde overeenkomt met de door de belastingplichtige betaalde prijs, zulks tenzij de partij die zich daarop beroept feiten of omstandigheden stelt en aannemelijk maakt waaruit volgt dat de koopsom niet die waarde weergeeft (Hoge Raad 29-11-2000, nr. 35797, LJN: AA8610). Uit hetgeen belanghebbende in het geding heeft gebracht en de toelichting ter zitting acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende na de aankoop heeft ontdekt dat de woning aanmerkelijk meer gebreken had dan waarvan belanghebbende ten tijde van de aankoop op de hoogte was. Dat belanghebbende een bouwkundige inspectie voor de aankoop heeft laten uitvoeren, maakt dit niet anders nu belanghebbende voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dat een zichtkeuring was. De rechtbank acht aannemelijk dat naderhand pas is ontdekt dat sprake is van zeer grote mate van aantasting van het betonijzer door zout en van vervuiling in de spuwmuren door de ramp uit 1953. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de aankoopprijs in dit geval niet de waarde weergeeft na ontdekking van die gebreken.

2.7.Hetgeen onder 2.5. en 2.6. is overwogen, leidt tot het oordeel dat de heffingsambtenaar de vastgestelde waarde niet aannemelijk heeft gemaakt.

2.8.Belanghebbende bepleit een waarde van € 93.415. Belanghebbende stelt zich daarbij op het standpunt dat gezien de geconstateerde gebreken de opstal een waarde van nihil heeft, omdat deze eigenlijk gesloopt zou moeten worden. Deze conclusie deelt de rechtbank niet. Niet is gesteld of gebleken dat de woning voor de verkoop onbewoonbaar was. Bovendien is de woning blijkbaar te herstellen zonder sloop. De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat de opstal wel degelijk waarde heeft.

2.9.Belanghebbende heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van ernstigere bodemverontreiniging dan bij de aankoop bekend was.

2.10.De conclusie is dan ook dat noch de heffingsambtenaar, noch belanghebbende de waarde aannemelijk heeft gemaakt.

2.11.Belanghebbende heeft zich er verder nog over beklaagd dat de heffingsambtenaar bij het doen van in 2.1.8 genoemde uitspraken op bezwaar niet heeft voldaan aan de opdracht die rechtbank had gegeven in de uitspraak van 27 januari 2011. De rechtbank deelt deze opvatting niet, nu de taxateur de woning inpandig heeft bezocht. Ter zitting is overigens komen vast te staan dat de staat van onderhoud ten tijde van de inpandige opname niet vergelijkbaar was met de staat van onderhoud op 1 januari 2008. Dat de heffingsambtenaar na de inpandige opname bij zijn standpunt bleef dat in voldoende mate rekening was gehouden met de staat van onderhoud, betekent niet dat hij niet aan het gestelde in de uitspraak van 27 januari 2011 heeft voldaan.

2.12.Nu in het geding de waarde van de woning niet duidelijk is geworden, bepaalt de rechtbank de waarde op de waardepeildatum in goede justitie op € 150.000.

2.13Het beroep is gegrond verklaard.

Schadevergoeding

2.14.1.Met betrekking tot belanghebbendes verzoek om toekenning van een materiële en immateriële schadevergoeding wegens spanning en frustraties overweegt de rechtbank als volgt.

2.14.2.In het arrest 10 juni 2011, 09/05112, BO5080 heeft de Hoge Raad beslist dat in belastingzaken, waar artikel 6 EVRM niet van toepassing is, een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn kan worden toegekend. De Hoge Raad oordeelde dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld en dat artikel 8:73 van de Awb in die gevallen van overeenkomstige toepassing is. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, LJN AO9006, BNB 2005/337. De in aanmerking te nemen termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.

2.14.3.In het arrest van 22 april 2005 heeft de Hoge Raad beslist dat een redelijke termijn in beginsel twee jaar is (voor bezwaar- en beroepsfase) tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De redelijkheid van de duur van berechting van een zaak is voorts afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:
a. de ingewikkeldheid van de zaak; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de aard en omvang van de fiscale problematiek en de omvang van het verrichte onderzoek;
b. de invloed van de belanghebbende op het procesverloop; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend het doen van verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen.
c. de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid in het nemen van besluiten nadat de redelijke termijn een aanvang heeft genomen;
d. de wijze waarop de zaak door de rechter is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die is betracht bij de controle op de voortgang van het schriftelijk debat tussen partijen, bij de appointering en afhandeling van het onderzoek ter zitting, en in de fase tussen de laatste partijhandeling en de uitspraak.

2.14.4.Vaststaat dat de heffingsambtenaar het (summier gemotiveerde) bezwaarschrift op
7 april 2009 heeft ontvangen. Begin oktober 2009 heeft de heffingsambtenaar om nadere motivering verzocht; belanghebbende heeft op 26 oktober 2009 de motivering ingezonden. De heffingsambtenaar heeft op 18 december 2009 uitspraak gedaan op bezwaar. Belanghebbende heeft daartoe op 25 januari 2010 pro-forma beroep aangetekend. Dit beroepschrift is op 9 februari 2010 nader gemotiveerd. De rechtbank heeft op 27 januari 2011 uitspraak gedaan en de zaak teruggewezen naar de inspecteur. Op 16 mei 2011 heeft de heffingsambtenaar wederom uitspraak op bezwaar gedaan. Belanghebbende heeft hiertegen op 20 juni 2011 pro-forma beroep aangetekend. Dit beroepschrift is op 19 juli 2011 nader gemotiveerd. De uitspraakdatum van deze uitspraak luidt 8 november 2011.

2.14.5.Sedert de ontvangst van het gemotiveerde bezwaarschrift op 7 april 2009, zijn ten tijde van de onderhavige uitspraak twee jaar en ongeveer zeven maanden verstreken. Daarvan is ruim één maand vertraging veroorzaakt door aan belanghebbende verleend uitstel voor motivering van de beroepschriften. De rechtbank acht het tijdsverloop voor het overige niet veroorzaakt door het procesgedrag van belanghebbende.

2.14.6.In de situatie waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechtbank, dient het daardoor ontstane tijdsverloop in beginsel volledig aan het bestuursorgaan te worden toegerekend (Raad van State 7 april 2010 nr. 200806952/1/R1, LJN BM0231). Van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase is dan geen sprake (geweest), aangezien de eerste behandeling door de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift tot de uitspraak op 27 januari 2011 ongeveer een jaar heeft geduurd en de totale behandeling tot die uitspraak binnen twee jaar is geschied. Het tijdsverloop daarna wordt aan de heffingsambtenaar toegerekend, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat de tweede behandeling vanaf de ontvangst van het beroepschrift tot de datum van deze uitspraak slechts vijf maanden heeft geduurd.

2.14.7.Op basis van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden met zes maanden en dat deze overschrijding voor rekening van de heffingsambtenaar dienen te komen. De rechtbank zal, uitgaande van een tarief van € 500 per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, de heffingsambtenaar veroordelen tot betaling van € 500 als vergoeding voor geleden immateriële schade.

2.14.8.Belanghebbende heeft daarnaast verzocht om toekenning van een materiële schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb. Belanghebbende heeft dit verzoek op geen enkele wijze nader onderbouwd. Nu het de rechtbank niet is gebleken dat belanghebbende enige materiële schade door toedoen van de heffingsambtenaar heeft geleden, wijst de rechtbank dit verzoek af.

Proceskosten

2.15.1.Nu het beroep gegrond is verklaard, ziet de rechtbank aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar en beroep, reiskosten en verletkosten.

2.15.2.De heffingsambtenaar bestrijdt dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, omdat de gemachtigde de broer van belanghebbende is en mede-eigenaar is van de woning en dus mede-belanghebbende.

2.15.3.Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De omstandigheid dat de broer ook een belang heeft bij de waarde, doet er naar het oordeel van de rechtbank niet aan af dat hij in de verhouding tot belanghebbende als “derde” kan worden aangemerkt (zie in vergelijkbare zin HR 27 november 2009, nr. 08/02053, BNB 2010/61).

2.15.4.Nu omtrent alle kosten voor de procedure tot en met de uitspraak van de rechtbank van 27 januari 2011 reeds in die procedure is beslist, is er thans nog slechts reden voor vergoeding van de kosten van de tweede beroepsprocedure.

2.15.5.De kosten van de beroepsfase voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden conform het Besluit vastgesteld op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1).

2.15.6Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een reis- en verblijfkostenvergoeding van € 13,08. Gezien de afstand tussen de woonplaats van belanghebbende en de rechtbank acht de rechtbank dit een redelijk bedrag.

2.15.7.Daarnaast heeft belanghebbende verzocht om vergoeding van de door hem gemaakte verletkosten van € 1.407,34 waarvan € 27 voor het bijwonen van de zitting en € 1.380,34 voor het opstellen van pleitnota en voorbereiding van de zitting, het opstellen en indienen van het beroepschrift en nadere stukken.

2.13.8.Verletkosten zijn kosten van tijdverzuim door bijvoorbeeld vrijaf te nemen voor het bijwonen van een zitting en de heen- en terugreis. Het gaat dus niet om tijdverzuim door voorbereidende handelingen, zoals het opstellen of lezen van stukken (zie in gelijke zin HR 21 maart 2001, nr. 35 988, BNB 2001/235). De kosten van € 1.380,34 komen dus niet voor vergoeding in aanmerking. De heffingsambtenaar heeft voor wat betreft deze kosten ter zitting verwezen naar het verweerschrift. Daarin heeft hij zich niet verzet tegen de vergoeding van verletkosten. De rechtbank acht het bedrag voor het bijwonen van de zitting niet onredelijk en wijst het toe.

2.13.9.De voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten zijn daarom vastgesteld op € 874 plus € 13,08 plus € 27 of € 914,08.

Deze uitspraak is gedaan op 8 november 2011 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. van Es-Hinnen, griffier.

   

Meer informatie |  WOZ bezwaar | WOZ beroep | Huis gekocht | Aanmelden voor verlaging 

Gratis Aanmelden

Tip een vriend over onze diensten